Geschiedenis Enschede

Ontstaansgeschiedenis Enschede

Enschede is in de vroege middeleeuwen ontstaan als agrarische nederzetting rond een klein kasteel of borg.

De omgeving van de stad was woest en uitgestorven. Enschede lag als het ware als een eiland in een zee van enorme heidevelden en veenmoerassen.

Slechts de hoger gelegen gebieden  (als de marken Lonneker, Eschmarke, Usselo, Twekkelo en Driene) werden bewoond. Vanuit deze  marken liepen voetpaden, zoals de Lipperkerkstraat, naar de grote kerk op de Oude Markt.

Doordat de stad aan de handelsroute van Deventer naar Münster en Osnabrück lag ontwikkelde het dorp zich gestaag.

Enschede krijgt Stadsrechten
In 1325 kreeg Enschede stadsrechten van de bisschop van Utrecht. Deze rechten hielden behalve het houden van jaarmarkten ook in dat men de nederzetting mocht gaan versterken. De versterkingen bestonden uit twee grachten die in een eivorm rondom de stad liepen. Rondom de buitengracht werd een ondoordringbare, hoge haag geplant.

Het Enschede van de late middeleeuwen was een stad van hout, modder en koeienstront. De huizen en stadsboerderijen waren opgetrokken uit vakwerk, de hoge topgevels bestonden uit lange planken, de daken waren gedekt met riet of stro. Er waren slechts enkele stenen bouwwerken in de stad, namelijk: het stadhuis, dat zich toen ook al in de bocht van de Langestraat bevond, de Grote Kerk, het kasteel en de twee stadspoorten. De huizen stonden ongerooid langs de straten en van duidelijke gevelwanden was nog geen sprake.

In 1465 werd er op last van de bisschop van Utrecht een houten omheining rondom de stad aangelegd. De palissade werd gebouwd op een wal die gelegen was tussen de oude Stadsgraven en een nieuwe buitengracht.

Om de stad schadeloos te stellen schonk de bisschop een stuk woeste grond buiten de Veldpoort, de zogenaamde Stadsmaten of Stadsweide.

Een kleine dertig jaar later werd er aan de noordkant van de stad een bolwerk opgericht, wellicht met materiaal afkomstig van de burcht die rond dezelfde tijd.In 1550 is Enschede, nog een klein en met name agrarisch stadje gelegen binnen de dubbele stadsgracht.

De Tachtigjarige Oorlog
De 80-jarige Oorlog wordt in Nederland met name gevoeld door de inwoners van Overijssel. Tussen 1572 en 1597 worden Twente en Salland verwoest door een ruim 25 jaar durende guerrilla. Het gebied tussen Oldenzaal, Almelo en Groenlo is hierdoor jarenlang ontvolkt geweest.

Toen prins Maurits (van Oranje) op 18 oktober 1597 voor de poorten van Enschede verscheen gaf de stad zich zonder slag of stoot over.

De vesting en de omwallingen van Enschede waren op dat moment slecht verzorgd en de staten van Overijssel waren al tijden niet meer van plan om te investeren in de vervallen stadswallen.

Hoewel Maurits de oude rechten van Enschede bevestigde, verordonneerde hij wel het ontmantelen van de vesting.

Ontmanteling betekende, dat de buitenste gracht werd gedempt, dicht gegooid met takkenbossen en aarde, om vervolgens als gaarden te dienen.

De binnenste gracht bleef, zij het versmald, bestaan, evenals de twee poorten. De militaire rol van Enschede is door het besluit van Maurits uitgespeeld.

Qua belangrijkheid is Enschede in de 16e eeuw overigens nog te vergelijken met andere kleine steden als Goor, Diepenheim en Delden.

Enschede in de 17e en 18e eeuw
Op 16 mei 1648 viert Enschede het einde van de Tachtigjarige oorlog. De bevolking van Overijssel heeft echter zware klappen gehad en zal ruim 100 jaar nodig hebben om hiervan te herstellen.

Het stadszegel wordt in 1670 gewijzigd. De afbeelding van een heiligenfiguur wordt vervangen door een stadswapen met het slaghek. Het randschrift luidt: ’sigillum civitatis Enscheidensis’. Het wapen staat symbool voor de scheiding of grens tussen Overijssel en het Münsterland.

Het stadsgebied van Enschede binnen de grachten (het zogenoemde ‘ei’)kenmerkt zich nu door (deels stenen) woningen en stadsboerderijen, met name gelegen aan Marktstraat en Langestraat en aan enkele achterstraten.

De voornaamste huizen kennen hoge stoepen, gemarkeerd door zerken paaltjes met kettingen.

Beide stadspoorten,de Espoort aan de oostkant en de Veldpoort aan de westkant van de stad, worden ’s nachts gesloten. Eventueel moet buiten de poorten worden overnacht.

Bijvoorbeeld bij herberg de Klomp nabij de Espoort. Dit gebouw, het Elderinkshuis, is tegenwoordig het oudste gebouw van Enschede en staat op de hoek van de Oldenzaalsestraat en de Klomp.

Opkomst van de Textielindustrie
In de 18e eeuw begon de economie in Enschede te veranderen. Handel in textiel werd steeds belangrijker. De stad ging zich speciaal toeleggen op het zogenaamde bombazijn, een weefsel dat deels uit linnen en deels uit katoen bestaat. Linnenhandelaren kochten bij wevers van het platteland rondom de stad textiel en verkochten het vervolgens door aan handelaren in het westen van het land.

Daarnaast kregen tussen 1855 en 1866 kregen bijna alle belangrijke Twentse plaatsen een aansluiting op het spoorwegnet.

Hengelo, Almelo en Enschede begonnen nu snel te groeien dankzij een constante stroom werkzoekenden.De huisvesting van de arbeiders was in deze tijd bedroevend.

Net als in de 18e eeuw bleven de arbeiderswoningen voornamelijk uit uit hout en leem opgetrokken rijtjeshuisjes bestaan.

De rijkere inwoners  zeiden intussen vaarwel tegen hun oude vakwerkhuizen. Het straatbeeld in bijvoorbeeld de Langestraat in Enschede veranderde onherkenbaar. De textielfabrikanten lieten de stadsboerderijen vervangen door deftige herenhuizen. Rond en in de oude stadskern van Enschede werden in hoog tempo stoomweverijen en blekerijen uit de grond gestampt.

De grote stadsbrand van 1862
Maar wat in al die jaren in Enschede was opgebouwd werd op 7 mei 1862 in enkele uren geheel vernietigd. In voorafgaande eeuwen was Enschede al verscheidene malen geteisterd door branden, maar nu brandde de gehele stad af.

De brand ontstond ’s ochtends in een arbeiderswoning aan de Kalanderstraat. (In de buurt van waar nu de Mc Donalds en America Today gevestigd zijn)

Het huis werd bewoond door Lodewijk van Voorst. In de achterkamer sloeg de vlam in de pan.

Zoals de meeste huisjes in de Kalanderstraat en de rest van Enschede was de woning van Van Voorst voor het grootste deel opgetrokken uit hout.

Het had al een paar weken niet meer geregend, dus de stad was kurkdroog, daarbij stond er een sterke oostenwind. Het vuur verspreidde zich razendsnel waardoor aan blussen nauwelijks gedacht kon worden.

De voor het bezoek van Koning Willem III, enkele dagen eerder, aangebrachte erebogen en guirlandes droegen er ook aan bij dat de brand niet te stuiten was. Alle kerken, scholen en publieke gebouwen werden verwoest. 650 gezinnen raakten dakloos, de hele oude stad binnen de grachten ging verloren in de immense vuurzee. De ramp leek compleet. Bijna alle fabrieken waren vernietigd.

Wederopbouw en stadsuitbreiding
Maar de verwoesting van de stad gaf de industrie de kans de vleugels uit te slaan. Buiten het weggevaagde centrum, waar een overvloed aan ruimte was werden nieuwe fabrieken gebouwd. Niet langer werd de “ouderwetse” Saksische bouwwijze toegepast, maar verrezen deftige herenhuizen aan de hoofdstraten.

Vlak na de stadsbrand bleek er een groot tekort te zijn ontstaan aan huizen voor de arbeiders, die in steeds grotere aantallen naar de stad trokken.

Om dit tekort op te vangen werden bij de textielfabrieken grote complexen van geheel identieke huisjes gebouwd die in lange rijen langs de straat stonden. Beroemde en beruchte Enschedese wijken waren de Krim,  Sebastopol en Mexico (huidige Hoog & Droog bij de watertoren). In die buurten woonden de armste arbeiders van de stad. De huizen waren zeer klein en de leefomstandigheden slecht.

In enkele decennia nam de oppervlakte van de stad explosief toe. Vrijwel het gehele complex van essen ten oosten van de stad werd op uiterst chaotische manier bebouwd. Meestal langs de reeds bestaande paden en wegen bouwden de fabriekseigenaren de woningen voor hun arbeiders. Zo ontstond een wijk van nauwe straten en lage huizen, overschaduwd door de enorme fabrieken Kremersmaten, Transvaal en Oostburg van Van Heek.

De fabrikanten zelf verkozen een betere plek om te wonen. Zij bouwden grote villa’s op een laag gelegen stuk weidegrond aan de westkant van de stad, “Stadsmoatn” geheten.

Begin 20e eeuw
Aan het begin van de 20e eeuw stapte de gemeente af van haar ‘kiek’n wat ’t wordt’- houding ten aanzien van de uitbreiding van de stad. Het Enschedese gemeentebestuur kwam in 1907, als één van de eerste gemeenten in Nederland met een Algemeen Uitbreidingsplan.

Belangrijkste onderdeel was de brede singel. Deze werd aangelegd rondom de stad.

De singels van Enschede zijn mede zo ruim ontworpen, omdat destijds rekening is gehouden met de aanleg van een tramlijn. Die is er echter nooit gekomen; wel een lijn van Enschede (station) naar Glanerbrug.

Verder werd de aanzet gegeven tot het bouwen van het tuindorp Pathmos en de destijds moderne arbeiderswijk Laares.

Tot ongeveer 1920 ontwikkelden de woonwijken zich vooral nog dichtbij de fabrieken omdat de arbeiders geen grote afstanden konden afleggen van werk naar huis. Vanaf de jaren ’20 veranderde dit.

Nieuwe woonwijken lagen niet langer in de schaduw van de immense textielfabrieken maar konden aan de rand van de stad liggen, ruim opgezet met parkjes en pleinen. Er begon in Enschede naast de arbeiders en de textielbaronnen ook eindelijk een grote middenklasse te ontstaan. Zij bouwden hun ruime woningen in nieuwe wijken als het Zwik, het Varvik en het Lasonder.
De fabrikanten verlieten intussen hun stadsvilla’s en gingen op grote landgoederen in de nabije omgeving van de stad wonen. Het centrum begon in deze tijd het middelpunt van het stedelijke leven te worden.

Op 28 maart 1934 worden de gemeenten Enschede en Lonneker samengevoegd tot één grote gemeente (86.000 inwoners).

De Crisisjaren
Door de wereldwijde economische crisis heeft ook de regio Twente en Enschede in deze tijd last van grote werkloosheid. Het aantal werknemers in de textiel daalde tussen 1929 en 1933 van 42.000 naar 26.000.

Ongeveer 45% van de weefgetouwen staat stil en in is 1/3 van de Twentse beroepsbevolking werkloos.

In deze jaren wordt, mede als werkgelegen-heidsproject, het Twentekanaal van Zutphen naar Enschede (met een zijtak naar Almelo) gegraven.

Daarnaast onderkennen een aantal Twentse gemeenten het economische belang van een vliegveld in de regio. Men komt uit op een terrein in de driehoek Hengelo – Oldenzaal – Enschede. Samen met het Twentekanaal en de spoorwegen moet het vliegveld de regio Twente vooruit brengen en vooraan houden in het belang van de welvaart, aldus toenmalig burgemeester Bergsma.

De 2e Wereldoorlog
Enschede wordt tijdens de 2e Wereldoorlog zwaar getroffen.  Bij vergissing uitgevoerde luchtaanvallen op burgerdoelen vinden veelvuldig plaats.

Geallieerde piloten verkeren doorgaans in de veronderstelling dat zij al (of nog) boven Duitsland vliegen.Het eerste grootschalige bombardement, eigenlijk bedoeld voor de Duitse plaats Rheine, is op zondagmiddag 10 oktober 1943 op de omgeving Van Heekpark/Het Zwik. Er zijn 151 doden, 60 zwaar en 341 lichtgewonden.

Ook op 22 februari 1944 is het raak. Niet minder dan 40.000 brandbommen treffen de binnenstad en de wijken Veldkamp en Pathmos, ten koste van 40 doden, 42 zwaar- en ruim 100 lichtgewonden.

Op 22 maart 1945 wordt het zuidelijk deel van het stadscentrum opnieuw getroffen: 65 doden, 32 zwaar- en ruim 100 lichtgewonden.

Enschede wordt op 1 april 1945 bevrijd door eenheden van een Brits geallieerd leger. Zij rukken op vanuit Neede via Beckum en Boekelo richting Lonnekerbrug en via Haaksbergen en Usselo. Deze troepen stuiten op hevige Duitse weerstand bij het spooremplacement Zuid, hierbij wordt onder meer de brug in de Getfertsingel opgeblazen.

De wederopbouw na de oorlog
Nadat de oorlog was afgelopen werd begonnen met de wederopbouw van de stad. Grote gedeelten van het centrum lagen in puin. Destijds gingen prognoses uit van een bevolkingsgroei van 100.000 in 1950 en 250.000 inwoners in 2000. Om dit te kunnen opvangen werd gekozen voor een ambitieus Boulevardplan.

De gemeente besloot om dwars door het centrum een brede boulevard aan te leggen. Langs deze boulevard moesten lange winkelgalerijen, grote kantoorpanden, een nieuw postkantoor en een handelsbeurs verrijzen.  In de jaren ’50 werd begonnen met de aanleg van de Boulevard 1945.

Het centrum raakte ingesloten door braakliggende vlaktes, iets wat zeker dertig jaar zo zou blijven.

Behalve in het centrum werd ook aan de randen van de stad druk gebouwd. Voor het eerst in haar bestaan verrezen er etagewoningen.

Nieuwe wijken vol portiekflats en torenflats zoals Boswinkel, Stadsveld, Twekkelerveld, Mekkelholt en Deppenbroek lenigden de woningnood en boden woonruimte aan nieuwkomers uit Spanje, Italië en Griekenland die in de textielindustrie kwamen werken.

In de jaren ’60 werden de eerste bouwprojecten van het Boulevardplan opgeleverd; winkels en woningen aan het Van Loenshof en het Van Heekplein. Ook in het centrum verschenen nu de eerste torenflats.

Maar de Enschedese skyline werd nog altijd voornamelijk gevormd door rokende fabriekspijpen. In een kleine tien jaar tijd voltrok er zich echter een economische catastrofe die de stad ingrijpend zou veranderen: De textielcrisis. Hierdoor liepen de grootse plannen van de gemeente geheel vast. De Boulevard 1945 bleef jarenlang omringd door kale onbebouwde vlaktes.

Ondergang van de textielindustrie
Door de onafhankelijkheid van Indonesië raakte Twente een belangrijk afzetgebied kwijt. Verder konden de textielbedrijven niet concurreren met bijvoorbeeld Japanse bedrijven, die tegen veel lagere kosten konden produceren. Daarnaast hebben de fabrikanten verzuimd om na de oorlog hun fabrieken te moderniseren. Men hield vast aan het massaal vervaardigen van linnen en andere stoffen.

Tussen 1967 en 1977 sloten bijna alle textielfabrieken hun deuren. Enschede veranderde van een nijvere industriestad in een plaats vol werkloze arbeiders en leegstaande fabrieken direct rond de binnenstad. De gemeente besloot alle complexen op te kopen en te slopen. Dit slokte vooral in de jaren 70 grote bedragen op.

Het centrum werd omringd door kale vlaktes, die als parkeerterrein werden gebruikt of door brandnetels en distels begroeid werden. Daarbij kwam ook nog eens dat de aanleg van de Boulevard een diepe wond in het centrum had geslagen.

Door de vele werklozen daalden de belastinginkomsten. Enschede kwam in 1981 zelfs onder curatele van het rijk. Een lichtpuntje in deze moeilijke tijd was de vestiging van de Universiteit Twente in Enschede. De Universiteit is voor een groot deel verantwoordelijk is geweest voor het aantrekken van nieuwe werkgelegenheid.


Wederopbouw na de textielcrisis

In de tweede helft van de jaren  tachtig werd er met financiële steun van het Rijk fors geïnvesteerd in de binnenstad en in de industrie- en dienstensector. Bijna alle binnenstadsstraten werden autovrij, er werden een aantal winkelcentra  (zoals “De Zuidmolen”) gebouwd en bij het station verrezen kantoorgebouwen.

Halverwege de jaren ’90 kwam de gemeente tot de conclusie dat de Boulevard en het van Heekplein in hun toenmalige staat de ontwikkeling van Enschede tot Euregionaal centrum in de weg stonden. Er werd een Masterplan voor de binnenstad opgesteld. De Boulevard verdween en maakte plaats voor een groot winkelplein met onder andere de V&D en de Bijenkorf.

De pleinen rondom het station werden autoluw gemaakt en er kwam een nieuw busstation.De stationsomgeving moest het zakencentrum van de stad worden.Aan de noordkant van het centrum, in de omgeving van het Molenplein, worden de culturele functies geconcentreerd in het Muziekkwartier.

Enschede heeft zich  de afgelopen 40 jaar op rigoureuze wijze van haar textielverleden ontdaan.

Slechts enkele van de ruim 75 fabrieken werden gespaard,  zoals Van Heek & Co aan de Noorderhagen en Jannink aan de Haaksbergerstraat.

Beide zijn verbouwd tot appartementen-complex.

 

13 mei 2000, de Vuurwerkramp
Op zaterdag 13 mei 2000 kreeg Enschede een nieuwe klap te verwerken.

Op een zomerse zaterdagmiddag ontaardt een onschuldig brandje in een verschrikkelijke ramp waarbij 22 slachtoffers vallen en ongeveer 1000 mensen gewond raken.

De oude stadswijk Roombeek wordt door de enorme ontploffing in de vuurwerkopslag volledig verwoest.

Rond 2010 is de herbouw van de wijk bijna volledig voltooid.

Enschede, Stad van Nu
Enschede is met ruim 157.000 inwoners de grootste stad van Oost-Nederland. De textielindustrie is zeer bepalend geweest voor Enschede. Dit is nu nog zichtbaar in de vorm van prachtige villa’s, landgoederen, fabriekscomplexen, volksbuurten en parken.

Daarnaast is de stad ook in de afgelopen 15 jaar  flink veranderd. Met bijvoorbeeld de wijk Roombeek, het van Heekplein, het Muziekkwartier en de 101 meter hoge Alfatoren heeft Enschede zich ontwikkeld tot een aantrekkelijke stad om in te wonen.

En hoewel het er op lijkt dat in het Volkspark elke boom wordt omgezaagd, is er in en rondom Enschede zeer veel groen te vinden.

Tegenwoordig worden ambities van een stad uitgedragen via heuse campagnes.

Zo moet Enschede in het jaar 2020 bekend staan als de ondernemende kennisstad, studentenstad, muziekstad, winkelstad en als leefstad. Ter promotie van dit alles is de slogan ‘Enschede, stad van Nu’ bedacht.

Of Enschede ooit een stad van Nu wordt, zal de toekomst wellicht uitwijzen. Enschede is in ieder geval wel Onze stad.

 

Bronnen:

Enschede-stad Geschiedenis

Wikipedia Enschede

Stichting Historische Sociëteit Enschede-Lonneker

Marcel Tettero: Tachtigjarige Oorlog in Twente

Erwin Scholten: Geschiedenis van Enschede

Erve Alferink:‘In de brand, uit de brand’: Enschede in en na 1862