Het aantal pandjeshuizen en goudinkoopkantoren in Enschede neemt in rap tempo toe. Het kopen, verkopen en verpanden is dan ook een lucratieve business voor de pandjesbaas.

Bij een pandjeshuis geeft men goederen, zoals goud, zilver, juwelen of een auto als onderpand. In ruil hiervoor ontvangt de klant een tijdelijke lening.

Binnen een bepaalde periode, bijvoorbeeld 4 maanden, moeten de goederen worden teruggekocht. Hierbij moet wel een flink bedrag aan rente worden betaald. Dit varieert tussen 5% en 20%. Mocht het terugkopen niet lukken, dan mag de pandjesbaas de goederen verkopen.

Waarom is het verpanden van goederen zo populair?


Door de crisis komen steeds meer mensen aan het eind van de maand niet rond. Het lenen van extra geld bij een bank is door de (door banken veroorzaakte) schuldencrisis aan strenge regels gebonden.

Daarom zoeken mensen nu alternatieven, zoals het verpanden van goederen bij pandjeshuizen. Of het verkopen van goud en zilver bij één van de vele goudbanken die Enschede rijk is.

Nu gebeurt het verpanden van goederen natuurlijk al eeuwen lang. Het is alleen even iets minder in beeld geweest omdat de banken dit kunstje, in de vorm van reguliere leningen voor consumenten, na de 2e wereldoorlog hebben overgenomen.

Bij het verpanden maakt het overigens niet uit of iemand een BKR-registratie heeft. Dit maakt de pandjeshuizen interessant voor een toch al kwetsbare doelgroep. Het is de vraag of dit terecht is. Door de hoge rente van soms wel 20% neemt het vermogen alleen maar verder of. Op deze manier ontstaat er een vicieuze cirkel.

Om dit probleem te verhelpen moeten niet de pandjeshuizen worden aangepakt, zij doen niets verkeerd. Er moet gekeken worden waarom de pandjeshuizen en goudinkoopkantoren zo populair zijn.

Hier lijkt een rol weggelegd voor de gemeente. Komen mensen bijvoorbeeld niet rond doordat zij niet met geld om kunnen gaan? Of zijn de vaste lasten gewoonweg te hoog?